In memoriam Gerrit van der Valk

30 Sep

(De hoofdstukken vijf en zes uit ‘De Dynasty Van der Valk’, gepubliceerd in 1996. Op 31 januari 2009 geplaatst op de dag van de begrafenis van Gerrit van der Valk, in Vught. Hij is op 20 januari in Marbella overleden)

HOOFDSTUK VIJF

Kooplui

Vraag een Valk tien keer hoe het allemaal is begonnen en je krijgt tien keer een ander verhaal, met telkens wel dezelfde ingredixc3xabnten. Wanneer precies? Kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, daar zijn nog de minste builen aan te vallen, al zijn er ook bronnen die de horeca-aspiraties van stamvader Martien in de jaren twintig plaatsen. Die stamvader, wiens portret in alle vestigingen min of meer prominent aan de muur hangt (dit is een van die vervelende maar verplichte clichxc3xa9s die je in alle achtergrondverhalen over de familie aantreft), die stamvader dus heette Martien van der Valk. Hij was de jongste uit een gezin met 24 kinderen.

De vader van Martien had veertien kinderen bij zijn eerste vrouw. Toen zij overleed, hertrouwde hij met een jonge vrouw die hij als baby al op de arm had gehad: hij werkte op de boerderij van haar vader toen zij geboren werd. Als weduwnaar ging hij 25 jaar later terug en het klikte. Ze trouwden en nu kreeg zij op haar beurt menig kind op de arm: tien stuks. Onder wie de grondlegger van het Van der Valk-imperium, Martien. Hij werd geboren in 1895 en overleed in 1969. Hij was getrouwd met Rie Muller (1898-1986).

In de schamele jaren twintig en dertig at iedereen van zoveel mogelijk walletjes. Stamvader Martien vormde daarop geen uitzondering. Hij en Rie hadden aan de weg tussen Voorschoten en Stompwijk een boerderijtje. Martien was boer, met liefhebberij voor paarden. Een van zijn eerste bijverxc2xacdiensten vormde zijn ‘paardentaxi’: hij had twee paarden en een koets. Daarmee reed hij de rijke lui uit Wassenaar van het ene kasteel naar het andere.

Op een gegeven moment ruilde hij de paarden in voor iets dat toen nog zeer buitensporig modern was: een automobiel.

Gerrit over zijn vader: ‘Iedereen zei dat Van der Valk gek geworden was. Een wagen zonder paard, dat kon helemaal niet.’ Maar het ging prima en al spoedig had hij er ook een eigen garage bij.

Een andere nevenverdienste vormde het dorpscafxc3xa9, een nering die allengs uitgroeide. Het cafxc3xa9 kreeg steeds meer aanloop en het eet-gebeuren nam een steeds belangrijker plaats in. Het systeem van selfsupporting zat er toen ook al goed in: een tachtigjarige oom ‘met een pensioen van een kwartje’ verzorgde de tuin en leverde de verse groente aan. De kinderen hielpen volop mee.

Gerrit: ‘We moesten met alles helpen. Koeien melken, ‘s zomers dorsen en stallen uitmesten, boontjes plukken. Vader zei: "Jij bent zo klein, je hoeft niet te bukken, je bent al dicht bij de boontjes."’ Dezelfde soort ‘motiverende kwinkslagen’ gebruikt Gerrit later om zijn familieleden bij de les te houden: jonge neven en nichten die het vak ook moeten leren, maar van nature niet zo heel erg dol zijn op glazenspoelen.

Gerrit herinnert zich een anekdote uit de ‘goeie ouwe tijd’: ‘Ik was een keer tegelijk met drie broertjes aan het werk. Zij waren eerder moe, ik klaagde tegenover vader dat ik het allemaal alleen moest doen. "Je doet ‘s avonds je avondgebedje. Vanavond ga jij dus nog eens een uurtje langer Onze Lieve Heer bedanken dat hij jou zo sterk heeft gemaakt dat jij hier het werk kunt afmaken."

Vader Martien was een harde werker. Gerrit: ‘Er waren wel eens mensen die er bezwaar tegen hadden dat het cafxc3xa9 ook ‘s zondags open was. Dan vroegen ze waarom hij zeven dagen in de week open was. Zei mijn vader: omdat er geen acht dagen in een week zitten.’

Een nieuwe poot aan de activiteiten van stamvader Martien bestond uit het koeienpension. De boeren brachten van heinde en ver lopend hun beesten naar de markt in Leiden. Ze waren blij als ze hun vermoeide benen even konden strekken in Van der Valks cafxc3xa9 in Voorschoten. Van der Valk bedacht een nieuwe service: als ze de koeien nou ‘s avonds bij hem neerzetten, dan konden ze ze de volgende morgen vroeg oppikken en naar de markt brengen. Hoefden ze niet meer zo’n eind te lopen en kwamen ze niet zo afgepeigerd aan. Steeds meer boeren grepen dit aanbod met beide handen aan.

Later werd de service nog uitgebreid. Van der Valk vroeg wat de beesten moesten opbrengen. Als dat een interessante prijs was, zei Van der Valk: verkoop ze maar aan mij, dan ga ik er zelf wel mee naar de markt. Zo werd Martien van der Valk veekoopman.

Gerrit, vijftig jaar later: ‘We zijn een familie van kooplui geweest. Dat is nog altijd de basis. Als je goede zaken met iemand doet, als je elkaar vertrouwt, heb je een basis om op verder te gaan. Als ik een goeie koe van jou koop, voor een goeie prijs, kom ik later bij je terug. Wij bieden onze gasten een goede maaltijd voor een goede prijs. Daarom komen ze terug. Niet omdat ze ons aardig vinden. Als ik honderd gulden ga vragen voor een dinertje, blijven de mensen weg.’

‘Wat de boer niet kent dat vreet-ie niet’ is typisch een gezegde dat niet op de Van der Valken van toepassing is. Nieuwe technieken, mits functioneel, worden snel toegepast. Stamvader Martien was een van de eerste ondernemers die zelf ijs ging maken. Tegenwoordig zijn er veel zelfkazende boeren, Van der Valk was ‘zelf-ijzend’.

Er bestond nog geen superheffing, maar Van der Valk beschikte over een ruime melkplas. Hij wenste zich niet aan te sluiten bij de bond, die maar 2 cent per liter betaalde: pa wilde 4 cent. Dus hield hij veel melk over. Gerrit: ‘Dat was zwaar werk, ijsmaken. Het moest met de hand gebeuren. Ik heb het zelf veel gedaan en vaak hielpen schoolvrienden ook mee.’

Gerrit zorgde er zelf voor dat hij van dat vervelende karwei werd bevrijd. Hij wist iemand op te scharrelen die een elektromotor aansloot op de ijsmachine.

Het restaurant-gedeelte was steeds belangrijker geworden. De kookkunst van moeder Rie viel zeer in de smaak. Veel van goede kwaliteit voor een redelijke prijs, was het motto en dat is nooit veranderd. Gaandeweg verdwenen de nevenactiviteiten naar de achtergrond en toen, terwijl de Tweede Wereldoorlog zijn schaduw vooruitwierp, werd het tijd voor: restaurant De Gouden Leeuw, nog altijd de bakermat van het concern.

De opvattingen van de grondlegger trekken nog steeds door het concern, als een zuurdesem. In zoon Gerrit vond stamvader Martien zijn trouwste erfgenaam. Elk kind een eigen restaurant, royaal eten voor een goede prijs, zoveel mogelijk factoren in eigen hand houden, een talrijke kinderschare die in het eigen bedrijf aan het werk kon, het zijn de idealen van de stamvader die door ‘peetvader’ Gerrit naar een veel hoger plan zijn getild. Al krijgt niet elke telg zomaar een restaurant in de schoot geworpen.

Gerrit: ‘Iedereen begint aan de top van de bezem, niet aan de top van een bedrijf.’

Ook het verschijnsel dat de mensen meer willen dan alleen maar eten, onderkende stamvader Martien al. Bij De Gouden Leeuw werd een speeltuin uit de grond gestampt, en een prieeltje, waar verliefde stellen konden ronddolen, voor of na het eten. Met de jaren verdween de onschuld van die heimelijke zoen in het prieel, maar dat is niet de schuld van Van der Valk. In de jaren negentig hebben ‘middag
huurders’ hun eigen prieel: een kamer met tweepersoonsbed en een ruime badkamer.

Over de invloed van zijn vader zegt Gerrit in 1995, als we hem vragen of hij nou de grote leider van het concern is: ‘Nee. Ik ben alleen adviseur. Ze doen alles zoals ik het voorgesteld heb, en eigenlijk is dat: zoals mijn vader het heeft voorgesteld. Daar heb ik op ingehaakt. Ik heb wel graag dat ze ‘t eten op tafel zetten zoals mijn vader het wilde, en zoals ik het wil, en zoals mijn broers het willen.’

Een van de tastbare herinneringen aan vader Martien is diens oude Buick. Gerrit rijdt er nog wel eens in. ‘Mijn vader is erg belangrijk voor mij geweest. En nog,’ zegt hij. ‘Ze zeggen dat ik op hem lijk.’

Een ander idee van stamvader Martien, dat Gerrit koste wat ‘t kost ten uitvoer wilde brengen, was: elk kind een eigen restaurant. Achteraf is dat een van de zwakste punten van het concern gebleken: niet iedereen is even geschikt voor de horeca, voor het leiden van een bedrijf. Maar de zwakke broeders en zusters, later de neefjes en nichtjes, draaiden ook mee. De familieband was sterker dan het zakelijk belang.

Door de ‘overval’ van de Fiod komen de gebreken in november 1995 pijnlijk aan het licht. Pas dan, als het concern tot op de bodem moet gaan voor de fiscus, komt de ommekeer en is er eindelijk bereidheid het bedrijf op moderne leest te schoeien. Tot ongenoegen overigens van Gerrit, die van mening is dat er ‘vijftig jaar voor niks is gewerkt’: nagenoeg het hele familievermogen vervalt in xc3xa9xc3xa9n daverende klap aan de fiscus.

Terug naar het begin. Stamvader Martien en zijn vrouw Rie kregen elf kinderen. Zo kwamen ze terecht:

1. Bep van der Valk trouwt Jaap Zeeuw van der Laan, Motel De Witte Bergen in Laren

l. Martin Zeeuw van der Laan en Angela Janssen: Motel De Cantharel Apeldoorn.

2. Jan Zeeuw van der Laan en Annemieke Vos: Motel De Witte Bergen Laren.

3. Jaap Zeeuw van der Laan en Ineke de Boer: Motel Assen. 4. Marianne Zeeuw van der Laan en Han Hammink: Motel Almelo.

5. Ellis Zeeuw van der Laan en Boet Kreike: Witte Bergen.

6. Diederik Zeeuw van der Laan en Tonny van de Mortel, Witte Bergen

2. Ina van der Valk en Henk Luiten (overleden): Motel Bijhorst in Wassenaar

l. Riet Luiten en Ton Broeks: Motel Katwoude.

2. El Luiten en Ben de Bruin: Motel Sassenheim.

3. Wil Luiten en Kees Polman: Motel Eindhoven.

4. Leo Luiten en Franxc3xa7oise Garet: Motel Nivelles (Belgixc3xab):

5. Martin Luiten en Caroline Polman: St. Aygulf.

6. Henk Luiten en Marian Sjamar: pier Scheveningen.

7. Ineke Luiten en Walter Grutterswijk: motel Belfeld, Venlo en de drukkerij.

8. Jack Luiten(tweelingbroer Ineke) en Corine Reyerse: De Bijhorst, Wassenaar.

9. Rick Luiten en Pauline Stoel: Motel Stein.

3. Klaas van der Valk (overleden) en Conny de Wit: Motel De Biltsche Hoek in De Bilt

l. Martin van der Valk en Miriam van der Pol: Avifauna.

2. Peter van der Valk en Gerda Buitenhuis: Motel West-End in Oosterbeek.

3. Rob van der Valk en Cxc3xa9cile van Nisselroy: restaurant Plaswijck Rotterdam.

4. Klaas van der Valk en Els Klaassen: De Biltsche Hoek

5. Kees van der Valk en Carol White: voorheen Motel Hardegarijp; gescheiden. Kees is gexc3xabmigreerd naar Canada en werkt daar als boswachter.

6. Corry van der Valk en Tjomme Langebeek: Motel Wieringerwerf.

7. Hanneke (‘dissidente’)

4. Riet van der Valk en Jan van den Assem (overleden): Motel Het Haagsche Schouw in Leiden

Maakten zich los van de familie, elf kinderen, zonen Peter en Mathieu runnen strandpaviljoens in Scheveningen.

5. Cees van der Valk (overleden) en Joke de Kleermaeker: Motel De Molenhoek in Mook

1. Ankie van der Valk en Renxc3xa9 van Breukelen: motel Zwijndrecht.

2. Helen van der Valk en Lex de Borst: Restaurant Gilze.

3. Martien van der Valk en Ingrid Rootinck: motel Bonaire.

4. Fred van der Valk en Arda Loeften: motel De Molenhoek Mook.

5. Lucie van der Valk en Wibo Rademaker: Restaurant Nazareth bij Gent.

6. Anita van der Valk en Peter Werther: congrescentrum Het Turfschip Breda.

7. Til van der Valk en Pieter Timmers: Motel Breukelen.

6. Gerrit van der Valk en Toos van de Cappelle: Motel Nuland

1. Marijke van der Valk en Harry Heinrichs: Motel Vught.

2. Ad van der Valk en Titia Bollen: Motel Gilze.

3. Carlita van der Valk en Joep van den Nieuwenhuyzen: begin motel Nuland, later zelfstandig zakenman.

4. Martien van der Valk en achternicht Sandra van der Valk: Motel Nuland.

5. Gert-Jan van der Valk en Elfi van der Sluys: Motel Tiel.

6. Vincent van der Valk (gescheiden) en Carla van Kuyk: Motel Moers.

7. Marc van der Valk en Eva Isendoorn: Plaza hotel

Curaxc3xa7ao.

7. Arie van der Valk en Truus van Vliet: Motel De Gouden Leeuw

1. Freek van der Valk en Alicja Kruszel(overleden): Motel Heerlen.

2. Marja van der Valk en Jeroen van den Nieuwenhuyzen (broer van Joep).

3. Ben van der Valk en Marion van Bakel: Motel Akersloot.

4. Martin van der Valk en Nanny van der Linden: Motel Vianen.

5. Rob van der Valk en Bernadette Laurent: Motel de Wouwse Tol.

6. Paul van der Valk en Lenny van Hage: Motel Het Haagsche Schouw.

7. Lucas van der Valk en Heleen Nieuwenhuis: Brugrestaurant Schiphol.

8. Jacline van der Valk: hotel kasteel Bloemendal, Vaals.

9. Eveline van der Valk: motel Nieuwerkerk a/d IJssel.

10. Marc van der Valk: De Gouden Leeuw.

8. An van der Valk en Ben Wohrmann: Motel Dennenhof in Brasschaat (Belgixc3xab)

l. Martin Wohrmann en Kristine van Loo: Motel Dennenhof (Belgixc3xab).

2. Coen Wohrmann en Mireille de Man: inkoop groente Belgixc3xab.

3. Ben Wohrmann en Silvia Joosen: restaurant Princeville, Breda.

4. Mark Wohrmann en Marie-Paul van Looveren: Dennenhof, Brasschaat.

9. Martien van der Valk en Ans van Gelooven: Motel Beveren (Belgixc3xab)

l. Erik van de
r Valk en Martine Buys: Motel Beveren (Belgixc3xab).

2. Walter van der Valk en Suzy Claus: Motel Westerbroek.

10. El van der Valk en Cees Toor: kort Motel-vogelpark Avifauna in Alphen a/d Rijn, daarna (zakelijk) met de familie gebroken

11. Til van der Valk en Chris Matser: restaurant Dreefzicht Haarlem

l. Chris Matser (gescheiden van Helga Boot): restaurant Dreefzicht, Haarlem

2. Martien Matser: Motel Spier bij Assen

3. Ellen Matser en Joost Korstenbroek: Motel Haarlem-Zuid.

4. Henk Matser: motel Haarlem-Zuid.

5. Jan Matser: motel Emmeloord.

HOOFDSTUK ZES

To(os) the States

In de jaren dertig kwam er vaak een kleine jongen boos naar huis. ‘Ik gxc3¡ niet meer naar die rotschool’ huilde hij en woedend stampte hij met zijn klompen op de deel. Tegenwoordig zou de lichte vorm van leesblindheid van Gerrit van der Valk snel zijn onderkend en met goede begeleiding zou het amper gevolgen hebben gehad. Maar toen was je ‘dom’ als je niet goed kon lezen en rekenen.

In het eerste jaar van de lagere school bleef Gerrit zitten en ook daarna is het op de basisschool kwakkelen gebleven. In de vijfde klas ging hij van school, vanwege de mobilisatie. Gerrit: ‘Mijn vader heeft mij lezen en schrijven geleerd, maar ik kan het nog steeds niet goed. Ik haalde toen altijd schuin- en blokschrift door elkaar. Mijn vader heeft mij ook hoofdrekenen geleerd. Dat kan ik nog steeds heel goed, maar op papier wordt het lastiger. Dat is altijd al zo geweest. Als ik bijvoorbeeld 82 zag staan, dacht ik dat het 28 was. Dat ging altijd fout en dan kreeg ik weer een onvoldoende. Ik wilde niet meer naar school.’

Met hoofdrekenen heeft Gerrit een heel concern uit de grond gestampt, met lezen is het nooit wat geworden. Zegt hij. Na enige aandrang komt hij vaak alleen met Dik Trom op de proppen. Hij leest de krant, tijdschriften, maar een heel boek is aan hem niet besteed. Zegt hij. Het niet-lezen van boeken is een van de fabeltjes die hij om een of andere reden -binnenpret?- in stand houdt. Een echte boekenwurm zal hij evenwel nooit worden. Ook film is niet erg aan hem besteed: de enkele keer dat hij een bioscoop bezocht, viel hij in slaap.

Het is jammer dat Gerrits aversie tegen het onderwijs in de loop der jaren alleen maar erger is geworden. ‘Leren is voor de zwakken’ werd een van zijn vele motto’s. Vanuit zijn standpunt bezien valt er ook wel wat voor te zeggen. Zonder titel, zonder universitaire opleiding, stampte hij een miljoenenconcern uit de grond, waarbij hij vooral werd tegengewerkt door mensen die wxc3xa9l veel hebben geleerd maar in de praktijk zelf niets tot stand brengen. Een hoge opleiding is geen garantie voor zakelijk succes. Integendeel. Maar ondernemingsgeest, zakelijk instinct en het vermogen een enorm concern met duizenden medewerkers in goede banen te leiden, vallen niet onder het kopje ‘intelligentie.’

Gerrit is geboren op vrijdag 13 juni 1928. Toen de oorlog uitbrak, had hij dus de kwajongensleeftijd. Hij was net zo anti-Duits als zijn vader. Gerrit: ‘Ik deed alles wat Hitler verboden had; ik saboteerde, handelde zwart, deed koerierswerk en liet onderduikers uit.’ In 1943 kreeg vader Martien het aan de stok met een Duitse soldaat die een arm om een bezoekster legde, en dus ‘lastig viel’, in Valk-termen. Pa verkocht de mof een hengst voor z’n muil en kon meteen onderduiken.

Van zijn vader krijgt Gerrit behalve thuisonderwijs ook zijn eerste baantje: met een prikstok papiertjes opruimen die rond het restaurant lagen. Tussendoor krijgt hij wijze levenslessen. ‘Mijn vader was sterk en net zo koppig als ik. Toen ik eens door slechte jongens bedonderd werd – ze gingen er met mijn motor vandoor – zei hij: "Dit is een goede les voor je. Als je met lorrenboeren omgaat, krijg je luizen."

In 1947 leert Gerrit zijn grote liefde Toos van de Cappelle kennen. Ze woonde in Delft. Gerrit: ‘Ik was met een paar vrienden in de auto, in de buurt van Voorschoten. Zij was op de fiets. We reden haar voorbij. "Stoppen jongens," zei ik, "daar rijdt mijn toekomst. Dat meisje is nu precies mijn model. Als ze nog goed kan praten, is zij voor mij. Dit wordt mijn vrouw." We draaiden om, ik maakte een smoesje. Vroeg waar ze vandaan kwam. Ze was zeventien, ze kwam uit Delft en was op weg naar Amsterdam. "Dat haal je nooit," zei ik, "je achterwiel wiebelt zo." Zo is de verkering begonnen en sindsdien is er voor Gerrit nooit een andere vrouw geweest. Gerrit was ook haar eerste vriendje.

Aan de ‘verkeringen’ worden binnen de familie hoge eisen gesteld. Vader Martien stelde zich op als een strenge keur-meester van het vrouwenvlees dat geacht werd zoveel mogelijk nieuwe telgen voort te brengen.

Gerrit vertelt zelf: ‘Als mijn vader het niks vond zei hij: "Dat kun je wel gokken" of: "Zeg maar: tot in het hiernamaals." Dezelfde tekst schijnt Gerrit op zijn beurt ook nogal eens tegen toekomstige schoonzoons of -dochters te hebben gebruikt. Schoonzoon Joep van den Nieuwenhuyzen zei in Panorama: ‘Vader bemoeide zich er wel mee. Als hij het niks vond, zei hij: "Dat kun je wel gokken" of "Tot in het hiernamaals." Een zoon die een keer thuiskwam met een ‘luxe’ ("Zo noemen we dat soort dametjes") kreeg de wind van voren en de verkering was al snel over.

Toos viel wel in de smaak. Tijdens het eerste afspraakje met Gerrit ontpopte ze zich als een echte Valkvrouw. Gerrit: ‘We hadden een afspraak gemaakt voor een avondje uit, maar dat ging niet door: ik moest plotseling helpen in De Gouden Leeuw. Toos kreeg een ijsje en moest maar even wachten. Ze zag hoe druk het was en wandelde de keuken binnen, bond een schort voor en hielp de hele avond mee.’

Voor de meeste ‘verkeringen’ die in de Valkfamilie trouwen, is het eerst even slikken. Wie kiest voor een Valk, kiest voor een druk bestaan in een grote familie. Toos wilde eigenlijk naar het conservatorium, maar daar kwam uiteraard niks meer van. Zelf kwam ze uit een gezin met nog twee zusjes, het grote Valkgezin vond ze in eerste instantie wat beangstigend, maar toch ook wel leuk. De hele familie werkte toen nog in de Gouden Leeuw.

Met de trouwdatum in zicht en een veilig bestaan in het familiebedrijf voor de boeg, kreeg Gerrit op z’n vierentwintigste de kriebels. Zijn vader had na de oorlog vrij sterke plannen om te emigreren. Hij wilde de boel verkopen en een zeeschip aanschaffen. Als een soort Noach, met de hele familie aan boord van de ark, wilde hij naar Canada, de Verenigde Staten of Australixc3xab. Hij was bang voor ‘het rode gevaar’: de communisten joegen hem schrik aan. Gerrit wilde, voor hij zich definitief vastlegde in de zaak van zijn vader, meer van de wereld zien en zelf bepalen waar hij zijn toekomst zocht. En zo vertrok hij in 1952 in z’n eentje naar The States. De trouwdatum werd nog maar even uitgesteld. Toos bleef achter als een soort gijzelaarster: vader Van der Valk was bang dat Gerrit niet terug zou komen als Toos meeging.

Gerrit had als ketelbinkie naar Amerika gewild, maar hij kwam niet aan de bak. Uiteindelijk kocht hij een kaartje, voor 800 gulden. Op de boot maakte hij zich al snel populair in de betere kringen. Toen hij de dans moest openen, koos hij -misschien ook
nog met Toos in het achterhoofd- geen schone nimf van zijn eigen leeftijd, maar een ongevaarlijke oude maar wel zeer rijke dame. De overtocht benutte hij vooral om contacten te leggen die hem straks aan de overkant van de grote plas goed van pas zouden komen.

Misschien omdat hij er niet op uit was hen te versieren, won hij ook de sympathie van een groep Amerikaanse meisjes die op de terugreis waren van hun Engelse kostschool. Een van de meisjes was dochter van een bankdirecteur. Pa kon Gerrit wel aan een baantje bij de bank helpen. Maar daar had Gerrit, met zijn afschuw van rekenen, helemaal geen oren naar. Hij mocht ook in de tuin werken, en dat aanbod hield hij voor reserve in het achterhoofd.

De kennismaking met ‘pa’ die dochterlief in zijn indrukwekkende limousine van de boot haalde, was allerhartelijkst, maar Gerrit zag er toch maar van af met de bankman in zee te gaan. Prettig was wel dat hij nu een adres had om op terug te vallen, mocht er onverhoopt van alles fout lopen: hij kon bij deze mensen altijd terecht.

De boot meerde af aan de oostkust, maar Gerrit had zijn zinnen gezet op Californixc3xab. Hij kon meerijden met een Nederlands echtpaar, dat hij op de boot had ontmoet. Man, vrouw en drie kinderen. Gerrit mocht proberen tijdens de lange rit de kinderen bezig te houden. ‘Ik had geen cent op zak, maar ik wilde natuurlijk niet met hangende pootjes terug naar Nederland.

Onderweg naar Californixc3xab stopte de familie tegen een uur of zes bij zo’n hotelletje langs de kant van de weg. Daar was zo’n drive-in restaurantje bij en daar ben ik de wc’s gaan schoonmaken. Dat was in die tijd in Amerika een klusje dat niemand wou doen. Ik poetste en boende, maakte met de kwast alles mooi wit tot het er allemaal weer keurig uitzag. Als de baas van het restaurant vroeg hoeveel ik ervoor wilde hebben, zei ik: "Als je me te weinig betaalt, zie je me niet meer, en als je me teveel betaalt ook niet, dan blijf ik te lang weg."

Behalve dat hij er wat mee verdiende, stak Gerrit veel op van deze ervaringen aan de onderkant van het horeca-wezen. ‘Het viel mij op dat er zoveel graffiti op de wc-deuren zat. Daar is een heel eenvoudige oplossing voor: maak de wc’s groter, zodat de mensen niet bij de deur kunnen als ze op de pot zitten. Dat principe heb ik later zelf zoveel mogelijk toegepast.’

Wie tegenwoordig wel eens in een Valk-hotel logeert kan beamen dat het in elk geval aan ruimtelijkheid niet ontbreekt: hotels die twee keer zo duur zijn hebben doorgaans kamers die half zo groot zijn.

Toen na een week de rit was voltooid en de familie aan de westkust was gearriveerd, had Gerrit een sigarendoosje vol dollars, genoeg om de terugreis naar de oostkust te kunnen betalen. Als verder alles mis zou gaan, kon hij dan proberen op een schip naar Europa aan te monsteren. Het doosje met geld verstopte hij onder een stoeptegel, in het pensionnetje waar hij zijn intrek nam. Gerrit hield er toen al niet van contant geld op zak te hebben of naar de bank te brengen. Ruim veertig jaar later brak dit Valk-trekje de familie lelijk op. Toen ging het niet om vijftig dollar, maar om 5,5 miljoen slordig geparkeerde guldens.

Gerrit ging aan de slag op de boerderij van een Jood die in 1940 uit Nederland was gevlucht. ‘Ik ben altijd boer gebleven,’ verkondigde Gerrit later soms met enige trots, maar het meest kenmerkende boerenhandwerk, het melken, beviel hem bar slecht in de States. Dat had zijn reden. De boer waar hij werkte had een regiment koeien die onhandelbaar dan wel uiterst moeilijk melkbaar waren: ze pasten niet binnen het stramien van de normale melkkoeien. De vaste ploeg melkers bestond uit oudere mannen die in de Eerste Wereldoorlog gedeserteerd waren. Nog altijd moesten ze hun ‘lafheid’ van toen bezuren.

Gerrit kreeg maar geen greep op de onwillige koeiespenen. Na een week waren zijn handen rood en gezwollen; zijn verlovingsring moest er worden afgeknipt. Hij bedacht bij dezelfde boer een baantje dat hem beter lag. De koeien werden uitsluitend gehouden voor de melk, naar kalveren werd amper omgekeken. Veel pasgeboren kalfjes stierven in de modder en bleven daar liggen rotten. Op gezette tijden werd met ontsmettingsmiddelen de boel gezuiverd om de vliegen weg te krijgen.

Gerrit vroeg of de boer het goed vond dat hij de kalfjes ging verzorgen. De biest, die anders ook werd weggegooid, kwam hem mooi van pas. Ook andere organisatorische onhandigheden ruimde de nijvere Gerrit uit de weg. Als de koeien werden geschoren, bleven de haren in de modder liggen. De koeien werden gewassen voordat ze werden gemolken. Haren, modder en veel water: logisch dat de riolering voortdurend verstopt was. Ook daar zocht en vond Gerrit een oplossing voor. In den vreemde toonde de jonge Nederlander zich even handig als Jacob, die volgens het bijbelverhaal bij zijn oom Laban ging werken en met allerhande listigheden een enorm fortuin wist te vergaren.

‘Wij zijn kooplui,’ zegt Gerrit, en dat blijkt. Bij het verkopen van koeien wordt een bepaald systeem toegepast waarbij de dieren naar waarde in hokken worden geplaatst. Op even simpele als geniale wijze wist Gerrit de verkoopprijs fiks omhoog te jagen, door het hok met de duurste koeien (van 200 dollar) te voorzien van een bordje ‘verkocht’. Toen hij zijn kalfjes ook nog op slimme wijze aan een handelaar wist te verpatsen, was de boer helemaal onder de indruk en hij wilde Gerrit graag in zijn bedrijf hebben. Maar Gerrit wilde terug naar Nederland. Voor Toos en Vaderland.

Gerrit: ‘Ik had met mijn vader gebeld. Hij vroeg of het zinvol was voor de familie om naar Amerika te verkassen. Hij was nog altijd bang voor de communisten. Ik heb toen gezegd: ‘Als je in Nederland net zo hard wxc3xadl werken als je hier mxc3xb3et werken, kunnen we evengoed in Nederland blijven.’ Daarmee waren de emigratieplannen van de Valken van de baan.

Gerrit: ‘De boer waar ik toen gewerkt heb, is vijfentwintig jaar later nog een keer in Nederland geweest, om mij op te zoeken. Hij had geen opvolger voor zijn bedrijf. Zijn eigen zoon zou dokter worden, maar die was niet helemaal normaal, dat vond ik toen al. Hij had een Chrysler met een televisie erin en hij zat de hele dag met de automatische besturing van de draaihekken te spelen. Later is hij opgenomen. Maar die boer wilde graag met mij samenwerken. Hij had een koffer vol geld bij zich. Hij zei: "Als je met mij meedoet, krijg jij de helft." Maar ik wilde niet uit Nederland weg, ik wilde bij de familie blijven.’

Bij de boer verdiende Gerrit voldoende om de terugreis te kunnen betalen. ‘Als ik dat niet had gered, was ik er gebleven. Dan had ik tegen mijn vader gezegd: stuur Toos maar, en dan was ik niet meer teruggegaan.’

In de Verenigde Staten zag Gerrit de motor-hotels, de motels, toen in Nederland nog een onbekend fenomeen. Terug in Nederland hield hij dat idee in het achterhoofd: low-budget hotels langs doorgaande routes.

In juni 1953 trouwen Gerrit en Toos in Delft. Restaurant De Witte in Vught wordt hun eerste stek. Onder hun beheer wordt het Motel Vught. Tegenwoordig zwaaien Marijke van der Valk en haar echtgenoot Harry Heinrichs daar de scepter. Het is nog altijd een van de mooiste Valk-vestigingen. In de jaren vijftig wordt de beroemde toekan het beeldmerk van de Valken. Gerrit en Toos zaten te eten in het Vogelpark Avifauna in Alphen aan de Rijn en bestudeerden de menukaart. Daar ontdekten ze de toekan. Het noodlijdende vogelpark werd later door de Valken ingelijfd en speelt nog altijd een centrale rol: de meeste familiefeesten worden daar gehouden.

Gerrit: ‘
De mensen vragen altijd: waarom neem je geen valk als symbool, dat ligt toch veel meer voor de hand? Maar als een valk zit te slapen is ‘t niks, en gaat hij op roof uit, dan is het net een adelaar. Daar had ik vroeger zo’n hekel aan: die hadden van die hakenkruizen tussen de poten. Een toekan is een mooie grote tropische vogel, een vrolijk beest, een gezellig beest, dat past veel beter bij ons.’

De Witte in Vught is door Gerrit zelf uitgezocht. ‘Ik heb tegen vader gezegd: dat is een goed punt, daar wil ik graag wat beginnen. Dezelfde middag nog heeft hij het gekocht.’ Gerrit ging meteen aan het verbouwen. ‘Er kwam iemand van de gemeente, die vroeg: "Wat ben je aan ‘t doen?" Ik zei: "Dat is een domme vraag, dat zie je toch?" "Maar dat mag niet, je hebt geen vergunning," zei de man van de gemeente. "O nee?" zei ik, "ik heb wxc3xa9l vergunning. Ik heb vergunning van mijn vader, en dat is de beste vergunning die ik kan vinden." Ik wilde in Vught het eerste motel van Brabant neerzetten. De wethouder van de gemeente vond het maar niks. "Wat is dat, een motel? Zijn dat van die hukskes waar je ontucht kan plegen?" Die man begreep er niets van."

In 1966 werd de eerste steen gelegd voor motel Nuland, de plek waar Gerrit en Toos later gingen wonen en werken en van waaruit ook de ontvoering plaatsvond. Gerrit en Toos kregen vijf zonen en twee dochters.

Aanvulling:

Hoofdstuk 1 van het boek staat ook online

Advertisements

No Responses to “In memoriam Gerrit van der Valk”

  1. Marijke Bolhaar- van den Assem August 21, 2011 at 12:39 am #

    Jan van den Assem en Riet van der Valk kregen 12 kinderen!!! En zij hadden het 2de (goed lopende) van der Valk restaurant waar Arie en Gerrit alles geleerd hebben…

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: